Redemittel zu Kapitel 1

Wie sagt man das auf Deutsch?
Zeg dat je in een flat woont.
Zeg dat je op het platteland woont.
Zeg dat je in de stad woont.
Zeg dat er een tennisplein bij jou in de buurt is.
Zeg dat er in jouw dorp geen bioscoop is.
Zeg dat je in jouw omgeving nauwelijks iets kan ondernemen.
Zeg dat er een groot park ligt niet ver van je huis.
Zeg dat je in het weekend graag naar de disco gaat.
Zeg dat je de zaterdag graag inkopen doet in de stad.
Zeg dat je op woensdag tennis speelt op het tennisplein in je buurt.